De afkoeling van de arbeidsmarkt gaat gepaard met zacht oplopende werkloosheid. Toch is de krapte niet verdwenen en blijft de positie van werknemers historisch gunstig. Werklozen en inactieven op zoek naar een baan hebben het nu iets lastiger, terwijl werkenden hun stabielere positie behouden. Consumenten zijn dan ook somberder over de arbeidsmarkt, maar door de krappe arbeidsmarkt blijft de kans op langdurige werkloosheid klein.
In de afgelopen paar jaren zijn de loonkosten flink toegenomen terwijl de groei van de vraag naar producten van Nederlandse bedrijven gematigd is geweest. Dit remde de vraag naar personeel en heeft ervoor gezorgd dat de groei van de werkgelegenheid sinds medio 2024 gematigd was.[1] Zo zijn er nu minder vacatures dan voorheen, ligt de werkloosheid wat hoger en is voor een kleiner deel van de niet-financiële bedrijven een tekort aan arbeidskrachten een belemmering. Die afname van de krapte gaat samen met een verandering van de dynamiek op de arbeidsmarkt.
Hoewel de krapte op de arbeidsmarkt is afgenomen, is de markt overduidelijk nog wel redelijk krap te noemen. Momenteel, op basis van cijfers over november 2025, heeft ongeveer 37% van de werklozen drie maanden later werk, tegenover 97% van de mensen die al werkten. Dat is vergeleken met de afgelopen twintig nog steeds een grote kans op werk en een indicatie voor nog bestaande krapte. Zo zullen loonstijgingen dit jaar weliswaar hoogstwaarschijnlijk lager uitkomen dan in 2025, maar komen ze vergeleken met de afgelopen decennia met naar verwachting 3,5% tot 4,0% in 2026 nog uit op zeer behoorlijk niveau.
Werklozen vinden echter wel wat minder vaak een baan dan een paar jaar geleden. Die kans voor werklozen op het daadwerkelijk bemachtigen van een baan is gedaald van zo’n 42% van de piek van medio-2023 naar de eerdergenoemde 37% in november 2025. We zien vooral ook dat de kans dat een werkloze drie maanden later nog werkloos is wat hoger is uitgekomen, met een stijging in van zo’n 33% in het dal van begin 2022 naar recent circa 40%. Aanwijzingen voor sterke ontmoediging zien we echter nu niet: de kans dat werklozen zich terugtrekken uit de arbeidsmarkt, wat overigens naast door ontmoediging ook kan gebeuren doordat zij een opleiding of zorgtaak zijn gaan doen of met pensioen zijn gegaan, is namelijk niet veel veranderd. Al met al geven deze cijfers in samenhang gezien het beeld dat de kansen op de arbeidsmarkt voor werklozen iets verslechterd zijn, maar ook helemaal niet in de buurt van crisisniveaus liggen.
De kansen van inactieven [2], mensen in de beroepsgeschikte leeftijd, die aanvankelijk niet naar werk zochten omdat zij dat niet konden, niet wilden of ontmoedigd waren, zijn ook iets verslechterd, hoewel nog minder dramatisch dan voor werklozen. Deze groep lijkt met een gestegen kans van 4,1% in november 2025, tegenover 3,8% medio-2023, iets vaker werkloos te worden dan voorheen. Bovendien lukt het hen iets minder vaak een baan te krijgen dan voorheen. De meeste mensen die geen werk zoeken doen dat drie maanden later ook niet, dat aandeel staat onveranderd op 90,4%.
De groep waarvan de kansen op de arbeidsmarkt het minst, of eigenlijk nauwelijks, zijn veranderd, zijn de mensen die al een baan hadden. Hun kans dat ze drie maanden later werkloos zijn, is miniem opgelopen van 1,1% medio-2024 naar 1,2%; dat is statistisch geen echte verandering te noemen. De kans dat een werkende de Nederlandse arbeidsmarkt heeft verlaten is zelfs iets gedaald. En de kans dat een werkende drie maanden later nog werkt staat onveranderd op 96,8%. Kortom, momenteel hebben de meeste mensen met een baan een aanhoudend sterke positie op de arbeidsmarkt.
De kansen op de arbeidsmarkt zijn niet voor iedereen gelijk en dat is van alle tijden. Als we, op basis van maandcijfers tot en met november 2025, kijken naar de dynamiek op de arbeidsmarkt, dan blijkt het gebruikelijk dat iemand die drie maanden geleden werkloos was een kleinere kans heeft om nu een baan te hebben dan iemand die al wel een baan had. In de afgelopen twintig jaar was die kans 3,1 keer zo groot: 96% voor werkenden tegenover 32% voor voormalig werklozen.
Dit is niet zo gek. De meeste banen bestaan drie maanden later nog steeds en als iemand goed functioneert zullen werkgevers graag de transactiekosten (zoals de kosten van werving en selectie en het inwerken van nieuwe medewerkers) van het wisselen van personeel willen voorkomen. Iemand die werkloos is, heeft zich voor de potentiële werkgever niet al bewezen als succes en heeft gemiddeld waarschijnlijk ook daadwerkelijk minder van de specifieke kwaliteiten waar werkgevers om vragen dan iemand die al een baan heeft. Dat is drie maanden later doorgaans niet veranderd. Zelfs als dat niet zo is, kan de tijdelijke status van werkloosheid door werkgevers worden gezien als een indicatie of stigma dat de persoon minder te bieden heeft.
Door de afnemende arbeidsmarktkrapte zien we dus vaker dat inactieven niet direct een baan vinden. Daarnaast valt te verwachten dat werklozen vaker wat langer werkloos zijn; ook zij vinden wat minder vaak snel een baan. Toch is dit in de huidige beschikbare gegevens overigens nog niet heel overtuigend en over de hele breedte zichtbaar; daarvoor is de afname van de krapte te recent en is de krapte nog veel te groot. Zo is onder werknemers met een vast contract de anciënniteit, de gemiddelde periode die iemand werkzaam is bij de huidige werkgever of in het eigen bedrijf, recent een beetje gedaald (van 11 jaar in het tweede kwartaal van 2023 naar recent 10,5 jaar), maar is onder werknemers met een flexibel contract een dergelijke ontwikkeling nog niet te zien. En in de werkloosheidscijfers zien we vooralsnog vooral alleen nog een stijging van de kortdurige werkloosheid (d.w.z. met een duur van maximaal 12 maanden), terwijl de langdurige werkloosheid nu niet oploopt.
We zien in enquêtes van de Europese Commissie en ECB wel dat de verwachting van Nederlandse consumenten van het aantal werklozen recent is gestegen en dat consumenten voor de komende drie maanden een grotere kans op baanverlies verwachten dan een aantal jaar geleden. De consumentenverwachting voor het aantal werklozen is recent zelfs boven het langjarig gemiddelde uitgekomen.
Toch zou die zorg voor de gemiddelde werknemer ongegrond kunnen zijn. We gaan er voorlopig nog vanuit dat de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt weliswaar iets minder gunstig zijn voor mensen die nog een baan zoeken, maar dit jaar nog steeds beter zijn dan we de afgelopen decennia hebben gezien. De enquête van de Europese Commissie geeft namelijk ook aan dat er meer bedrijven zijn die denken dat hun werkgelegenheid de komende drie maanden groeit dan bedrijven die krimp van het personeelsbestand verwachten. Dus ook al loopt het aantal werklozen nu een beetje op en zijn de kansen voor mensen die aan de kant van de arbeidsmarkt staan iets verslechterd, een grote stijging van de werkloosheid is op korte termijn niet te verwachten. Sterker: het tekort aan arbeidskrachten was in het vierde kwartaal van 2025 nog steeds de meest genoemde belemmering van het Nederlandse bedrijfsleven.