De financiële markten zijn in een fase beland waarin geopolitiek, grondstoffen en monetair beleid direct op elkaar ingrijpen. Het conflict in het Midden-Oosten is daarbij de belangrijkste macrofactor, doordat energiemarkten, scheepvaartroutes en inflatieverwachtingen gelijktijdig onder druk staan en beleggers en beleidsmakers hun vooruitzichten moeten herijken.
De oorlog laat zich voorlopig het snelst voelen op de energiemarkten en in de logistieke ketens in het Midden-Oosten. De vraag is nu vooral hoe groot en hardnekkig die schok zal blijken. Nadège Dufossé, Global Head of Asset Allocation bij Candriam, analyseert het risico aan de hand van drie factoren: duur, reikwijdte en diepgang.
De duur bepaalt of de schok van voorbijgaande aard blijft of eerder ernstige macro-economische gevolgen zal hebben. De duur van het conflict zelf is van belang, maar nog belangrijker is de duur van de effectieve sluiting van de Straat van Hormuz en de snelheid waarmee de energieproductie en logistieke infrastructuur kunnen worden hersteld. Een kortstondige verstoring kan de volatiliteit op de markt waarschijnlijk beperkt houden. Een langdurige verstoring zou rechtstreeks impact hebben op de inflatie- en groeiverwachtingen.
De verspreiding registreert de mate waarin het conflict zich uitbreidt. Een scenario waarin de spanningen voor Iran grotendeels binnen de perken blijven, zonder verdere escalatie van de vergeldingsmaatregelen, heeft een andere impact op de markt dan een scenario met een bredere regionale besmetting. Bijkomende schade aan de olie- en LNG-infrastructuur kan de schok versterken, terwijl impact op andere grondstoffen zoals tarwe of meststoffen de inflatie verder kunnen doen stijgen.
De diepte weerspiegelt de amplitude van de macrotransmissie van de schok. De markten reageren nu al op de energietermijncurves en de stijgende inflatieverwachtingen. De belangrijkste variabelen om in de gaten te houden zijn de reactiefuncties van de centrale banken wanneer de inflatierisico’s opnieuw groter worden, maar ook de impact op het consumentenvertrouwen, de bedrijfsuitgaven en uiteindelijk op de bbp-groei. Hoe dieper de schok, hoe waarschijnlijker het is dat de beleidstrajecten en financiële voorwaarden zullen wijzigen.
De olie- en gasprijzen zijn fors opgelopen door vrees voor langdurige aanbodverstoringen en schade aan infrastructuur. Ook de transportkosten stijgen, wat de druk op de toeleveringsketens en daarmee op de inflatie verder vergroot.
Voor Europa is dat extra problematisch. Hoewel het gasverbruik is gedaald, wijst dat volgens analisten minder op grotere economische veerkracht dan op een verzwakte industriële basis. De Europese economie blijft kwetsbaar voor hoge gasprijzen, wat ook zichtbaar is in de termijnmarkt. De TTF-curve, de Europese graadmeter voor gas, noteert voor de komende twaalf en vierentwintig maanden nog altijd een premie ten opzichte van eind februari, wat erop wijst dat de markt rekent op aanhoudend hoge energiekosten.
Vooral energie-intensieve sectoren zoals chemie en staal blijven daardoor onder druk staan. Het lagere gasverbruik weerspiegelt in belangrijke mate productieverlies, niet alleen efficiëntiewinst. Omdat energie in Europa structureel duurder blijft dan in concurrerende regio’s zoals de VS, tast dat de concurrentiekracht van de industrie, investeringen en groeivooruitzichten aan.
Los van de impact op grondstoffen drukken energieschokken ook de economische groei, doordat zij de koopkracht aantasten en het vertrouwen van consumenten en bedrijven ondermijnen. Tegelijk maken zij het inflatiebeeld complexer, juist nu centrale banken voorzichtig naar een evenwichtiger beleidskoers zochten. Hoe langer de verstoring aanhoudt, hoe groter het risico op een stagflatoire mix van zwakke groei en hardnekkige inflatie.
Daarmee verschuift de aandacht nadrukkelijk naar de centrale banken. De markt rekent voorlopig op stabiele rentes, maar vooral de toon van beleidsmakers wordt bepalend. Het lastige is dat de inflatiedruk nu opnieuw van buiten komt, via energieprijzen, en niet vanuit sterke binnenlandse vraag. In de VS begint de stijging van de benzineprijs al te drukken op het consumentenvertrouwen, wat de Fed in een lastige positie brengt. In Europa is de situatie nog gevoeliger, omdat de regio sterk afhankelijk blijft van geïmporteerde energie, vooral lng. Dat vergroot de kans op nieuwe inflatiedruk en zet de ECB onder druk om inflatieverwachtingen scherper te bewaken. Macro-economische omstandigheden blijven ondersteunend, maar secundair Voor het uitbreken van het conflict oogde het macro-economische beeld nog redelijk gunstig. Vooral in de VS bleef de groei stevig, gedragen door binnenlandse vraag en investeringen. Ook Europa liet tekenen van stabilisatie zien, terwijl China bleef worstelen met structurele groeiproblemen ondanks beleidssteun. Inmiddels zijn die fundamentele factoren naar de achtergrond verschoven. Geopolitiek, energieprijzen en inflatie bepalen nu directer het marktsentiment. Een aanhoudende stijging van de olieprijs kan de groei afremmen en de inflatie opstuwen, waardoor centrale banken minder ruimte krijgen om te versoepelen. Bij langdurige verstoringen neemt het risico op stagflatie toe. Positionering van de beleggingsportefeuille: risico's verminderen door meer onzekerheid Door de escalatie in het Midden-Oosten en de grote onzekerheid over duur, omvang en economische impact heeft Candriam het portefeuillerisico teruggebracht en gekozen voor een evenwichtiger positionering.
In aandelen is de allocatie nu wereldwijd neutraal, met alleen nog een lichte voorkeur voor de VS. Europa, Japan en opkomende markten zijn teruggebracht naar neutraal, omdat zij gevoeliger zijn voor hogere energieprijzen en verstoringen in de wereldhandel.
Binnen obligaties is de totale blootstelling verlaagd. Wel blijft er een bescheiden overweging in Europese staatsleningen van kernlanden, zij het kleiner dan voorheen. Bij bedrijfsobligaties overheerst een selectieve benadering: spreads zijn nog altijd krap, waardoor kwaliteit zwaarder weegt dan brede risicobereidheid. Europese investment grade is teruggebracht naar neutraal, terwijl Amerikaanse high yield licht onderwogen is.
In valuta blijft de dollar onderwogen, maar minder uitgesproken dan eerder. Tegelijk is er een voorkeur voor grondstoffenvaluta’s zoals de Australische dollar, Noorse kroon en Braziliaanse real, naast een longpositie in de Japanse yen. De portefeuille is daarmee defensiever ingericht, met meer nadruk op carry, spreiding en weerbaarheid.
De financiële markten staan in het teken van geopolitieke ontwikkelingen en hun macro-economische implicaties. De ontwikkeling van het conflict in het Midden-Oosten zal bepalen of de huidige episode een bron van volatiliteit blijft of uitgroeit tot een hardnekkiger economische schok.
Tot er meer duidelijkheid komt, blijft een gedisciplineerde en selectieve benadering van portefeuilleopbouw essentieel. In een wereld waarin energie, geopolitiek en beleid steeds meer met elkaar verweven zijn, zullen centrale banken en hun reactiefuncties stevig in het middelpunt van de aandacht van de markt blijven staan.