Nederland voert defensie-uitgaven veel minder snel op dan Europese koplopers

Nederland voert de defensie-uitgaven dit jaar veel minder snel op dan de Europese koplopers. We horen tot een groep landen waar de defensie-uitgaven dit jaar met +5 tot +8% toenemen. Daarmee benut Nederland maar beperkt de extra begrotingsruimte die Brussel voor defensie beschikbaar stelt. Tegelijk dreigt Europa de eigen defensiedoelen te missen. Gebrek aan fabrieken, personeel en productiecapaciteit vormt daarbij het grootste probleem. Dat blijkt uit nieuw onderzoek van kredietverzekeraar Allianz Trade.

“Nederland verhoogt zijn defensiebudget, maar doet dat duidelijk voorzichtiger dan landen die dichter bij Rusland liggen”, zegt Johan Geeroms, Director Risk Underwriting Benelux bij Allianz Trade. “Nederland staat ook voor grote opgaven op andere terreinen, waardoor defensie moet concurreren met andere prioriteiten om extra middelen. Maar Europa staat wel voor een dilemma: niet alleen moet er genoeg geld worden gereserveerd, tegelijkertijd moeten we er ook voor zorgen dat al dat geld daadwerkelijk kan worden omgezet in wapens, munitie, luchtverdediging en andere militaire capaciteit.”

Europa dreigt defensiedoel te missen

De Europese defensie-uitgaven stijgen in 2026 naar verwachting naar 2,3% van het BBP, tegenover 2,2% in 2025. Maar het tempo waarin de budgetten groeien, neemt snel af. In 2024 en 2025 stegen de uitgaven nog met meer dan 20% per jaar. Dit jaar resteert een groei van ongeveer 9%.

Als die ontwikkeling doorzet, komen de Europese defensie-uitgaven volgens Allianz Trade in 2030 uit op ongeveer 2,6% van het BBP. Dat is minder dan de Europese doelstelling van 3%. Het cumulatieve tekort ten opzichte van die doelstelling bedraagt tot en met 2030 naar schatting €255 miljard. Afgezet tegen de NAVO-doelstelling van 3,5% voor de kernuitgaven aan defensie loopt het gat op tot €575 miljard.

“Europa heeft de afgelopen jaren enorme bedragen voor defensie vrijgemaakt, maar de politieke ambities lopen sneller op dan de industrie kan bijbenen”, aldus Geeroms. “Je kunt miljarden extra op de begroting zetten, maar dan staat er morgen nog geen nieuwe fabriek voor raketten of munitie. De bottleneck verschuift van geld naar productie.”

Daarnaast benoemt Geeroms nog een knelpunt: “Alleen de defensiebudgetten verhogen is niet genoeg. Europa koopt nog te veel als 27 afzonderlijke landen in plaats van als één machtsblok. Daardoor schaffen landen verschillende wapensystemen aan die niet altijd goed op elkaar aansluiten. Dat is duur en inefficiënt en maakt gezamenlijk optreden ingewikkelder. Als Europa honderden miljarden extra aan defensie gaat besteden, moet daar één gezamenlijke strategie achter zitten. Anders kopen we vooral méér, maar worden we militair niet automatisch sterker.”

Europa trekt op met twee snelheden

De verschillen tussen Europese landen zijn groot. Polen en de Baltische staten behoren tot de koplopers en bewegen richting defensie-uitgaven van 4,5 tot 5,5% van hun BBP. Landen als Frankrijk, Italië, België, Tsjechië en Slovenië blijven volgens het onderzoek onder 2,5%. Nederland bevindt zich daar tussenin, maar verhoogt zijn uitgaven duidelijk minder snel dan de Europese kopgroep.

Opvallend is dat Nederland relatief veel maatschappelijk draagvlak voor defensie laat zien. In de Europese vergelijking behoort Nederland tot de landen waar de bereidheid om een grotere defensie-inspanning te steunen relatief hoog is. Toch vertaalt dat zich vooralsnog niet in een even sterke stijging van het budget.

Orderboeken vol, maar fabrieken groeien nauwelijks mee

Het grootste probleem zit inmiddels aan de productiekant. De orderportefeuilles van de tien grootste beursgenoteerde Europese defensiebedrijven zijn opgelopen tot meer dan vijf keer hun jaaromzet. De investeringen in extra productiecapaciteit houden daarmee geen gelijke tred: de investeringsratio blijft rond 5% steken.

Defensiebedrijven zijn huiverig om miljarden in nieuwe fabrieken te steken zolang ze niet zeker weten of overheden hun hogere defensie-uitgaven jarenlang volhouden. Tegelijk zijn de kosten gestegen. Hogere rente-, materiaal- en energiekosten hebben de nettowinstmarge van grote Europese defensiebedrijven teruggebracht van ongeveer 10% in 2025 naar circa 8%.

“Dat is de paradox”, zegt Geeroms. “De orderboeken zitten voller dan ooit, maar bedrijven zetten niet onbeperkt nieuwe fabrieken neer. Zo'n investering moet twintig of dertig jaar renderen. Een defensiebedrijf wil daarom weten of de huidige politieke beloftes ook over vijf of tien jaar nog overeind staan. Zolang die zekerheid ontbreekt, blijft een deel van de industrie voorzichtig investeren.”

Tekort aan technisch personeel

Daar komt een steeds nijpender tekort aan personeel bij. De Europese defensie-industrie telt naar schatting 650.000 tot 700.000 werknemers, 30 tot 40% meer dan in 2021. In dezelfde periode zijn de militaire uitgaven echter met 75% gestegen en zijn de orderboeken meer dan verdubbeld.

Vooral nieuwe militaire technologieën kampen met personeelstekorten. Van de openstaande vacatures in de onderzochte defensiesector heeft 26% betrekking op drones en onbemande vliegtuigen. Ruimtevaarttechnologie is goed voor 16% en intelligence en surveillance voor 13%.

“Geld kun je relatief snel beschikbaar stellen, vakmensen niet”, zegt Geeroms. “Een gespecialiseerde ingenieur voor rakettechnologie, drones of luchtverdediging leid je niet in een paar maanden op. Bovendien moet de defensiesector concurreren met goedbetalende technologiebedrijven. Daardoor dreigt personeel een steeds belangrijkere rem op de Europese herbewapening te worden.”