DWS: Chinese inflatie leidt niet tot ingrijpen centrale bank

Overal ter wereld stijgt de inflatie. De oorzaken, de gevolgen en de vooruitzichten lopen echter uiteen. In China haalt de sterke stijging van de producentenprijzenindex (PPI) de krantenkoppen. De voorlopige rapportage van de jaar-op-jaar stijging van 6,8% over de maand april, is een enorme stijging ten opzichte van de min 3 die vorige jaar werd gepubliceerd.

De meest recente inkoopmanagersindices (PMI's), wijzen erop dat de piek nog niet is bereikt. In deze context zouden de volgende producentenprijzenindex de 8%-grens wel eens kunnen passeren, zegt vermogensbeheerder DWS in zijn Grafiek van de Week.

De drijvende kracht achter de producentenprijzen zijn de grondstoffen en inputprijzen. Deze weerspiegelen ten dele de wereldwijde vraag naar voorraad. Ook knelpunten aan de aanbodzijde, zoals koper, stuwen de PPI op. Koper wordt voornamelijk gewonnen in Zuid-Amerika en Afrika, waar de Covid-pandemie nog niet onder controle is en de vaccinatie-uitrol traag verloopt.

Daarnaast zijn er enkele China-specifieke redenen: Zo hebben de autoriteiten de capaciteit en de productie van sommige producten beperkt om de binnenlandse CO2-emissies terug te dringen. De stijgende staaluitvoer leidde weer tot verdere prijsstijgingen op de binnenlandse markt, net als de door speculatie gedreven activiteiten op de kolenmarkt.

De consumentenprijzen die in het indexcijfer van de CPI worden weergegeven, worden sterk bepaald door de levensmiddelenprijzen die sterk seizoen gerelateerd zijn. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat de PPI en de CPI niet in de pas lopen en dat de PPI, zo blijkt uit de Grafiek van de Week. De correlatie tussen de PPI en de CPI daalt al jaren en bedraagt nu nog slechts 0,3, tegen 0,7 vijf jaar geleden.

Ook de consumentenprijzen zijn de laatste tijd gestegen: van negatieve niveaus in het eerste kwartaal tot 0,9% j-o-j in april. Economen verwachten dat die kunnen oplopen tot 1,6% in mei. Er is echter nog een lange weg te gaan voordat het streefcijfer van 3% van de centrale bank wordt bereikt. Elke Speidel-Walz, hoofdeconoom opkomende markten bij DWS, verwacht dat de consumentenprijzen in het derde kwartaal met ongeveer 2% zullen stijgen en dat dat percentage in de laatste drie maanden van het jaar rond de 3% zal liggen. "Dit komt neer op een gemiddelde van 1,7% over heel 2021.

Van een stevige algemene prijsdruk in China is dus geen sprake. In tegenstelling tot veel ontwikkelde landen, voert China geen sterk expansief monetair beleid en heeft het land geen grote steunprogramma’s opgezet om de consumptie een duw in de rug te geven. De inflatie exclusief voedselprijzen is dan ook relatief laag te noemen."

Zolang de stijging van de producentenprijzen en de prijzen van grondstoffen een tijdelijk fenomeen zijn, verwacht Elke Speidel-Walz niet dat de Chinese centrale bank actie onderneemt. “In een dergelijk klimaat lijkt het onwaarschijnlijk dat de stijging van de PPI doorsijpelt in de consumentenprijzen en de centrale bank ertoe zet om in te grijpen.”

China beleggen