Bij hedendaags professioneel beleggen gaat het om het behalen van een zo hoog mogelijke alfa. Iedereen is dol op alfa. De nadruk op deze alfa impliceert dat het aangaan van bèta-risisco’s niet in hoog aanzien staat.
Alfa staat voor de echte “skill” van een belegger, zijn outperformance als gevolg van het kiezen van de juiste aandelen of andere effecten. Bèta zou niets met skills te maken hebben, maar is het simpelweg aangaan van ordinair marktrisico waarvoor het nogal wiedes is dat je een beloning krijgt.
Stelt u eens een dappere wereldwijd beleggende fondsmanager voor die geacht wordt zich aan de
MSCI Wereldindex te spiegelen. Hij belegt echter de helft van zijn vermogen in opkomende markten en over 2007 leverde hem dat een schitterend rendement en outperformance ten opzichte van deze index op.
Een pure alfageïnteresseerde zegt in een dergelijk geval dat deze outperformance geen alfa is, geen skill en dus niet de verdienste van de fondsmanager. De outperformance werd immers behaald door het aangaan van risico in opkomende markten. Iedereen die in opkomende markten had belegd, zou immers geprofiteerd hebben van het (toen nog) gunstige koersverloop.
In deze trend doorgeredeneerd, mag u ook de aandelenfondsen die dit jaar goed presteren (lees: minder slecht) niet prijzen. Negen van de tien fondsen die bovengemiddeld presteren hebben immers vooral een lage bèta-exposure naar grondstoffen, energie, opkomende markten en financials en juist een hoge exposure aan kas.
De aandacht voor de vaardigheid van professionele beleggers is terecht. Vooral dit jaar worden we weer eens met de neus op de feiten gedrukt dat actief beheer in de meerderheid van de gevallen niets oplevert. Maar dat alleen alfa echte performance is, lijkt me een misleidend uitgangspunt. Hoogstens is het een hogere vorm van outperformance omdat bij het behalen van echte pure alfa de marktrisico’s uitgeschakeld (kunnen) zijn. Maar een fondsmanager die jaar in jaar uit, door middel goede selectie van regio’s, typen aandelen, marktkapitalisaties, sectoren, thema’s, waarderingen of thema’s een goede outperformance behaalt is misschien geen alfa-speler, maar wel een goede belegger.
Het behalen van alfa na kosten is overigens geen makkelijke klus, er zijn veel jagers op een klein jachtterrein, terwijl de kosten voor de jachtakte (de beheerkosten en overige kosten) aan de hoge kant zijn. Alfa is een zeldzaam verschijnsel dat het meest aantrekkelijk is als het in pure vorm verkrijgbaar is, zonder enige bèta-exposure. Wie zo’n alfabron vindt, heeft in feite een eigen ezeltje-strekje in handen want zonder risico, kan er geld worden verdiend.
Maar sprookjes zijn meestal niet echt en helaas is alfa meestal niet los verkrijgbaar en zijn er ook bij pure alfa spelers (long/short of arbitragefondsen) bètarisico’s verborgen in de portefeuille. Wat alfa lijkt, is op het tweede of derde gezicht vaak een bèta. Wie maar lang genoeg tuurt op rendementen, zal meer en meer bèta’s vinden en minder alfa’s. Het probleem is dat de bèta’s meestal pas aan het licht komen als het fonds een moeilijke tijd doormaakt.
Pure alfa is prachtig, maar zeldzamer dan wilde parels. Een belegger die met behulp van bèta’s goede prestaties behaalt is ook zijn gewicht in goud waard.
Freddy van Mulligen is hoofd research van Morningstar Nederland. Hij waardeert uw commentaar, maar kan geen specifieke adviezen over fondsen of portefeuilles geven. Auteurs kunt u bereiken via de Analisten feedback.