ISM-Index VS

Voor de vaste lezers van deze column is het niet onbekend dat de beurs altijd vooruit loopt op de reële economie. Dit verschijnsel is hier al eerder besproken. De koersstijgingen die vanaf het midden van maart hebben plaatsgevonden, worden "verklaard" door het feit dat beleggers denken dat de economie beter wordt. De verwachte opleving is deels gebaseerd op hoop, deels op natte vingerwerk en deels op cijfers.

Het kan erg interessant (en winstgevend!) zijn om eens met een gedetailleerde blik deze cijfers te bestuderen. In elk land is wel een soort CBS Corp. . Dit soort instanties brengen de stand van zaken in de economie in kaart en proberen, o.a. door historie en d.m.v. enquêtes, te voorspellen hoe de economische ontwikkelingen verder gaan. De conclusies van deze instanties hebben zeker importantie. De meeste regeringen en centrale banken sturen er grotendeels hun beleid op.


Er worden wereldwijd veel verschillende economische cijfers gepubliceerd. Het is van belang goed in beeld te krijgen en te houden welke belangrijk zijn. Beleggers hebben in de loop der jaren natuurlijk geleerd welke de meest voorspellende waarde hebben (en dus geld opleveren op de aandeelmarkt.) Het is interessant om eens een belangrijk cijfer van de Noord-Amerikaanse economie te analyseren. Dit werelddeel is natuurlijk ondanks al haar malaise (of juist daardoor?) nog steeds erg bepalend voor de Europese aandeelkoersen.

Dit keer bespreek ik een belangrijk cijfer: de Amerikaanse inkoopmanager index voor de productiesector. Deze wordt gepubliceerd door "the Institute for Supply Management". Zij doet dit al sinds 1931. President Hoover gebruikte dit cijfer voor zijn beleid in de jaren Dertig.

Het ISM-cijfer wordt op elke eerste (werk)dag van de maand openbaar gemaakt en heeft betrekking op de maand ervoor. Beleggers zien het als een belangrijke "Leading Indicator". Het is een cijfer dat de verwachte richting van de economie behoorlijk goed weergeeft. Om het cijfer te bepalen worden inkoopmanagers van 400 bedrijven, verdeeld over 20 verschillende industrieën, geïnterviewd. De gedachte is dat inkoopmanagers een redelijk goed zicht hebben in wat er in de fabrieken speelt. Aan hen worden diverse vragen gesteld over zaken als:

- geplaatste nieuwe orders (inkoop van grondstoffen, verpakkingsmateriaal etc. gebeurt doorgaans op basis van door bedrijf binnengehaalde productieorders)
- een inschatting over de hoogte van de voorraden van de afnemers (lage voorraden leiden tot vraag en productie)

- de levertijd op bestelde goederen (oplopende levertijden duiden vaak op een aantrekkende economie)

- de werkgelegenheid in het bedrijf (veel ontslagen leiden tot afnemende productie).

De inkoopmanagers moeten bij alle vragen kiezen uit drie antwoorden: Toenemend, Dalend en Onveranderd. Op basis van de gegeven antwoorden en verschillende wegingsfactoren, wordt een cijfer gepubliceerd. Een cijfer boven de 50 duidt op een toekomstige groei van de fabriekssector. Een cijfer onder de 50 op een afname. Afgelopen maandag werd het cijfer over mei bekend: 42,8.

In april was het echter 40,1. Beleggers putten hoop, het lijkt erop dat de vrije val in de economie gestopt is. Eén zwaluw maakt echter natuurlijk nog geen zomer. De komende maanden moet blijken of de ISM- Index ook dit keer weer een juiste "Leading Indicator" was.

“Edwin Wierda is Algemeen Directeur van Wierda en Partners www.wepv.nl Deze column is niet bedoeld als professioneel beleggingsadvies of als aanbeveling om het doen van specifieke beleggingen. Iedere belegging die de lezer overweegt te doen, zal hij/zij moeten toetsen aan de eigen persoonlijke financiële situatie.”