Rabobank: Nederlandse Industrie zet aansluiting bij Europese top op het spel
Het Nederlandse bedrijfsleven bungelt onder aan als het gaat om uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling ten opzichte van andere EU-landen. Dit vormt een groot risico voor de internationale concurrentiepositie van de Nederlandse industrie. Innovatie is de sleutel tot verbetering van de positie van ondernemers in de maakindustrie.
Innovatie
Het is cruciaal dat zij niet alleen hun aandacht vestigen op meer innoveren, zij moeten vooral ook béter innoveren. Dat kan door marketeers, techneuten en projectmanagers gestructureerd te laten samenwerken. Daarnaast is samenwerking met partners, ook buiten de gebaande paden, essentieel: houd innovatie niet geheim, maar deel de vergaarde kennis. Deze conclusies staan in het rapport: “Beter en sneller innoveren in de maakindustrie” dat de Rabobank vandaag publiceert. Rabobank is in Nederland bancair marktleider in de sector industrie.
Met ongeveer 800.000 werknemers binnen 45.000 bedrijven en een bijdrage van 15% aan het bruto binnenlands product, is de industrie nog steeds een belangrijke pijler onder de Nederlandse economie. Bovendien neemt de industrie meer dan 50% van de totale Nederlandse export voor haar rekening.
Optimalisatie
De afgelopen jaren is veel aandacht gegaan naar het ‘lean en mean’ maken van het productieproces. Zeker in een verzadigde Europese markt, met een nauwelijks toenemend aantal koopkrachtige consumenten en vlakke economische groei, dient nu het accent te verschuiven naar innovatie én de inrichting van het innovatieproces. Juist op dit gebied liggen legio kansen. Ook om duurzame producten te ontwikkelen die minder materiaal en minder energie verbruiken. In het nieuwe rapport staan concrete suggesties hoe bedrijven door samen te werken gebruik kunnen maken van elkaars kennis en kunde op specifieke gebieden.
Flexibiliteit
Bedrijven, ook uit andere branches of technologiegebieden, worden zo flexibele partners in het ontwikkelingsproces van een nieuw product. De samenwerking die op deze manier ontstaat gaat verder dan de huidige samenwerking in de reguliere productieketen. Zeker wanneer er in de regio ook nog opleidings- en kennisinstituten zijn die nieuwe kennis genereren en het toepassen van kennis ondersteunen. In de industrie gaat het daarom in de toekomst niet meer over ketens, maar over ‘netwerken’ en ‘netwerksamenwerking’.
Kennis is macht
Kennis is dé grondstof van de Nederlandse industrie. Elk bedrijf ontleent haar bestaansrecht meer en meer aan de competenties (kennis, kunde en vaardigheden) die in huis beschikbaar zijn, oftewel wat er bij elke werknemer tussen de oren zit. Want machines, ook gespecialiseerde, leveren nauwelijks nog concurrentievoordeel. Ieder bedrijf kan immers machines kopen, ook bedrijven in opkomende economieën. Competenties zijn veel ingewikkelder te verkrijgen of te kopiëren. Daar is een kennisinfrastructuur voor nodig, die moeilijk is op te bouwen en nauwelijks te verplaatsen. Kennis en competenties bieden bedrijven verdedigbaar concurrentievoordeel en zijn het onderscheidend vermogen van de Nederlandse industrie in de toekomst.