Anderen zullen de gevolgen beschrijven van een gebeurtenis die aanzienlijk menselijk lijden blijft veroorzaken, en sommigen zullen persoonlijke ervaringen delen van een angstaanjagende tijd voor de wereldeconomie en voor hen persoonlijk in het dagelijks leven (zoals beleidsmakers en financiële marktdeelnemers).
Mohamed A. El-Erian, PIMCO |
Zo interessant als deze bijdragen zullen zijn, hoop ik dat we ook zullen kijken naar een bijdrage van een ander genre: analyses van de voorheen ondenkbare uitkomsten die werkelijkheid zijn geworden – met ingrijpende gevolgen voor de huidige en toekomstige generaties – en dat onze overheidsinstellingen deze nog goed moeten aanpakken. Met dit in gedachten wil ik het over 4 uitkomsten hebben.
De eerste uitkomst, en degene met verreweg de meeste gevolgen, zijn de voortdurende problemen waarmee de Westerse economieën geconfronteerd worden bij het creëren van een robuuste economie en voldoende werkgelegenheid. Vanwege de aanvankelijke scherpe daling van het BBP in het laatste kwartaal van 2008 en het eerste kwartaal van 2009 moeten te veel westerse economieën nog opveren, laat staan dat de groeicijfers voldoende aanhouden om de verloren banen weer terug op niveau te krijgen. Over het algemeen hebben maar enkele economieën de drie kwalen van de crisis resoluut overwonnen: een onevenwichtige en onvoldoende totale vraag, onvoldoende structurele veerkracht en wendbaarheid en te hoge aanhoudende schulden.
Het netto resultaat gaat verder dan de zwakke groei, verslechterende inkomensongelijkheid, hoge langdurige werkloosheid en alarmerende jeugd werkloosheid. Vijf jaar na de wereldwijde financiële crisis, worden te veel landen belemmerd door de vermoeide en verouderde groeimotoren. Als gevolg hiervan blijven de vooruitzichten voor een snel, duurzaam en inclusief economische herstel een grote zorg.
Gezien deze harde werkelijkheid, is het niet verwonderlijk dat de tweede voorheen ondenkbaar uitkomst te maken heeft met onvoldoende beleidsreacties - namelijk de grote en aanhoudende onevenwichtigheid tussen de hyperactiviteit van de centrale banken en de frustrerende passiviteit van andere beleidsmakers.
De grote verrassing is niet dat centrale banken daadkrachtig en moedig optraden toen de financiële markten bevroren en de economische activiteit kelderde. Gezien hun onbeperkte toegang tot de drukpers en de hoge mate van operationele autonomie, wordt er verwacht dat centrale banken actief en effectief te hulp schieten als “first responders”. En zij antwoordden op een indrukwekkend en wereldwijd gecoördineerde manier.
Verrassend is dat, vijf jaar na de crisis, en vier jaar nadat de verstoorde financiële markten hun normale werking hervatten, westerse economieën nog steeds overweldigend rekenen op centrale banken om nog slechtere economische prestaties te voorkomen. Dit heeft de centrale banken van hun kernactiviteiten afgehouden, waardoor ze gedwongen zijn om gedeeltelijke en imperfecte beleidsmiddelen te gebruiken voor een behoorlijk lange tijd.
Deze uitkomst weergeeft de polarisatie in de binnenlandse politiek van de Verenigde Staten en de complexiteit van de regionale interacties in Europa, welke een integraal en evenwichtig beleid hebben bemoeilijkt. Om de omvang van het probleem te begrijpen; kijk eens naar de herhaaldelijk mislukte pogingen van het Amerikaanse Congres om een jaarlijks budget door te voeren (laat staan het doorvoeren van hervormingen op middellange termijn) of onvolledige initiatieven van de eurozone in een tijd van alarmerende werkloosheid en de resterende bedreigingen van de financiële verstoringen.
Dergelijke politiek disfunctioneren heeft het reactievermogen van andere beleidsvormende instanties ondermijnd, inclusief de instanties met betere hulpmiddelen dan centrale banken. Dit heeft centrale bankiers gedwongen aan het front te blijven in de beleidsvorming terwijl ze wachten tot andere beleidsmakers hun zaakjes op orde te krijgen. Dit heeft als resultaat gehad dat Westerse economieën bloot kwamen te staan aan steeds meer experimentele maatregelen, met aanzienlijke onzekerheid over de gevolgen op langere termijn van de operationele geavanceerde marktgerichte systemen op basis van kunstmatige constructies.
De derde voorheen ondenkbare uitkomst geeft aan hoe de ontwikkelingslanden zijn vergaan. Na aanvankelijk te lijden onder de financiële crisis zoals zo veel westerse landen deden (inderdaad, meer in termen van output en handel), maakten deze historisch gezien minder robuuste economieën een opmerkelijke comeback - zozeer zelfs dat ze de motor werden van de mondiale groei. Tijdens dit proces zijn ze echter in een onevenwichtige beleidsmix terechtgekomen die nu hun voortdurende groei en financiële stabiliteit bedreigt.
Vernieuwde risico's van financiële instabiliteit wijzen op de vierde en laatste verrassing: het onvermogen om belangrijke bijdragers aan de crisis te corrigeren op een geloofwaardige, duurzame en maatschappelijk verantwoorde wijze.
Denk aan grote Westerse banken. Gezien hun belang voor het systeem werden veel systeembanken uitgekocht en met behulp van staatssteun weer vrij snel winstgevend. Toch werden ze niet onderworpen aan extra winstbelasting, en daarnaast hebben beleidsmakers structurele prikkels die buitensporige risico's aanmoedigen onvoldoende veranderd. In Europa is het zo dat de banken nu pas gedwongen worden om daadkrachtig om te gaan met kapitaal tekorten, leverage problemen en de resterende zwakke activa.
Noem mij een piekeraar, maar ik blijf bezorgd over de mate waarin ons economisch bestuur is achtergebleven bij de aanpak van deze vier uitkomsten. Hoe langer dit ongewone klimaat aanhoudt, hoe groter het risico dat de ontwrichtende gevolgen van de crisis van 2008 nog ver om zich heen zullen grijpen, ook voor de toekomstige generaties.