Het nieuwe vergoedingsstelsel voor beleggingsadvies lijkt voor Nederlandse beleggers het tegengestelde effect te hebben dan het in eerste instantie trachtte te bereiken, namelijk het beleggingsproces voor particuliere beleggers te verbeteren. Tot die conclusie komt fondshuis Schroders op basis van een grootschalig onderzoek (uitgevoerd door TNS Nipo) naar de gevolgen van het invoeren van betaald advies voor beleggers.
Uit de vandaag gepubliceerde cijfers blijkt dat bijna 20% van de Nederlandse beleggers met een belegbaar vermogen van meer dan EUR 50.000 als gevolg van de nieuwe regelgeving zijn portefeuille deels of helemaal zelf is gaan beleggen en niet langer stuurt op (betaald) beleggingsadvies van een professional, terwijl eenzelfde aantal dat op dit moment overweegt te doen. Slechts 4% is overgestapt op vermogensbeheer. Deze aanpassingen zijn, zo blijkt uit het onderzoek, een rechtstreeks gevolg van de nieuwe regelgeving waardoor sinds begin dit jaar beleggers moeten betalen voor beleggingsadvies.
Toezichthouder AFM heeft altijd benadrukt dat de opzet van de nieuwe regelgeving is om de consument transparantere (kosten)informatie te bieden en zo goedkoper, objectiever en over de hele linie beter te laten beleggen. Volgens Schroders zorgt het ‘zelfbeleggen’ waarvoor veel beleggers kiezen, juist voor meer risico. Hein Kuijpers, hoofd intermediair van Schroders , vindt dat de consument door de nieuwe regels daarom niet beter af is: “Degenen die zijn doorgegaan met beleggen met professioneel advies, zijn grosso modo weliswaar niet goedkoper uit want zij betalen nu aan de bank wat ze besparen aan kosten.
Maar degenen die uit kostenoverwegingen zelf zijn gaan beleggen, missen het professionele advies en distantie, waardoor er minder goed belegd wordt, minder gespreid en zonder deskundige input. Ik twijfel er serieus aan of de particuliere belegger en de banken een dienst is bewezen door de nieuwe regels”, aldus Kuijpers. Hij benadrukt dat de negatieve gevolgen niet zijn terug te voeren op de banken. “De banken voeren de regelgeving die op hen afgekomen is, simpelweg uit. Dat heeft tot gevolg dat de consument tot andere keuzes komt, zoals vaker zelf beleggen. Die keuze blijkt niet in het voordeel van de consument en uiteindelijk ook niet van de banken.”
Uit de enquête van Schroders blijkt namelijk ook dat particuliere beleggers moeite hebben om consequent te beleggen en kennis over groeiverwachtingen en asset allocatie om te zetten in daadwerkelijke beleggingen. Zo verwachten beleggers de komende zes maanden dat de grootste groei te vinden zal zijn in Azië en de VS, maar is slechts een heel klein gedeelte van plan om daar ook daadwerkelijk te beleggen. De meeste beleggers kiezen voor West-Europese aandelen. Deze inconsistentie in beleggingsgedrag kan grote gevolgen hebben voor risico en rendement. Omdat blijkt dat de meeste mensen voor hun pensioen beleggen, kan het betekenen dat ze na pensioenleeftijd minder te besteden te hebben dan dat ze verwachten.
Voor beleggers die zich wel laten adviseren, vormt het advies de belangrijkste informatiebron voor hun beleggingsbeslissingen. Deze groep leunt het zwaarst op hun bankadviseur, financieel tussenpersoon, of accountant. Beleggers die geen gebruik maken van advies laten zich bij het maken van beleggingskeuzes relatief sterk beïnvloeden door informatie via media (54%), het eigen gevoel en instinct (43%) en onafhankelijke financiële websites (40%).
Het is verder opvallend dat beleggers die helemaal geen gebruik maken van een adviseur, hiervoor nauwelijks als reden opvoeren dat de kosten te hoog zouden zijn. Iets meer dan een op de drie ondervraagden (35%) geeft aan dat een adviseur te veel geld kost. Veel vaker wordt aangegeven dat beleggers zichzelf goed in staat achten om hun portefeuille zelf te beheren (76%) .
Het nieuwe vergoedingsmodel heeft voor de adviseur bij de bank geen grote veranderingen in zijn gedrag te weeg gebracht, althans niet merkbaar voor de particulier. Bijna twee op de drie beleggers zegt dat ze geen verschil merkt in hoe de beleggingsadviseur zich opstelt. Ongeveer 10% meldt dat er minder contact is dan voorheen.